Burgemeester Dodenherdenking 2017

Toespraak burgemeester Jan van Zanen

Utrecht, Domplein, 4 mei 2017

Dames en heren, jongens en meisjes,

Alleen de alleroudsten onder ons hebben het nog zelf meegemaakt. Berichten uit ons buurland over geweld in straten en steden. Over groepen die tegenover elkaar staan, paramilitaire terreur, boekverbrandingen, openlijk antisemitisme, plundering van Joodse winkels en brandstichting in synagoges. Over meer of minder vrijwillige inlijving van buurlanden.

En dan de inval in ons eigen land. Het geluid van bommenwerpers. Het hart weggebombardeerd uit één van onze grote steden. De capitulatie van ons leger. Ons staatshoofd en onze regering gevlucht naar Londen. Marcherende Duitse soldaten in onze dorpen en steden.

Weinigen van ons die er nog zelf herinneringen aan hebben. Maar de verhalen kennen we nog. De Duitse verovering van bijna heel Europa. De propaganda op de radio. De bordjes langs de weg met Duitse namen en afkortingen. De controle van de bezetters over media, wetenschap en cultuur. De benoeming van steeds meer Duitsers en NSB'ers in officiële functies en het ontslag van hen die niet willen samenwerken. De bedrijven die worden gedwongen voor de bezetters te werken.

En dat gebeurde niet in een ver buitenland, ergens in de wereld. Dat gebeurde in ons eigen Nederland. In ons eigen Utrecht. Tekorten aan voedingsmiddelen in de winkels. Bordjes met 'voor Joden verboden', het verplicht dragen van een Jodenster. Avondklok en verduistering. Razzia's op zoek naar jonge mannen, met het oog op werken in Duitsland, en joden, met het oog op deportatie. Honderdduizenden ondergedoken, met het permanente risico te worden verraden. Fietsen en radio's in beslag genomen. Verzet, passief en actief, niet zelden meedogenloos gestraft. Het geleidelijk groeiende bewustzijn van concentratiekampen en van een vooropgezet plan voor de vernietiging van het jodendom. Armoede, voedseltekorten, honger en gebrek aan brandstof in de laatste winter van de bezetting.

We kennen de verhalen van onze grootouders of ouders. Van school, uit boeken, van internet. Verhalen van lang geleden. Of moeten we erkennen dat het, hoe ernstig en afschuwelijk ook, verhalen zijn van alle tijden en dus ook van nu? Misschien heeft u daarnet wel even gefronst omdat iets u bekend voorkwam uit de wereld van vandaag.

Wat ons bij de reden brengt waarom we blijven herdenken. Van generatie op generatie. Ook nu steeds minder mensen er zelf nog herinneringen aan hebben. We blijven de doden herdenken omdat het veel meer is dan herdenken alleen. Het gaat ook om de vraag: hoe kon het zo ver komen? Om de vraag: wat zou ik, wat zouden wij zelf doen? Om de vraag: hoe voorkomen we dat het ooit wéér gebeurt?

Ons dat af te vragen, is onze dure plicht ten opzichte van de miljoenen die in en door de Tweede Wereldoorlog hun einde vonden. De Joden, Sinti, homoseksuelen, communisten, gehandicapten, vrijmetselaars en Jehova’s getuigen die stierven in concentratiekampen. De verzetsmensen en gijzelaars die werden gefusilleerd. De slachtoffers van de hongerwinter. De burgers die stierven door militaire  handelingen. De mannen die sneuvelden als militair. Iets wat helaas ook na de Tweede Wereldoorlog doorging, tijdens oorlogen en vredesmissies.

We herdenken de ongekende schaal en wreedheid van de aanslagen, nu driekwart eeuw geleden gepleegd, op mensen, groepen mensen, zelfs hele gemeenschappen uit ons midden. Hier in Utrecht overleefden 1239 Joodse stadgenoten de oorlog niet. Nog steeds vervult ons dat met diepe schaamte. Te meer omdat het onze politie was en onze gemeentelijke organisatie die zich hierbij lieten inschakelen. Ook driekwart eeuw later kunnen we niets anders doen dan een diepe verontschuldiging stamelen en smeken om vergeving.

Maar tegelijk past nog steeds trots op Trui van Lier en Jet Berdenis van Berlekom, die met hun Kindjeshaven 150 joodse kinderen wisten te redden. Op aartsbisschop De Jong, die zich openlijk verzette tegen Jodenvervolging. Op Utrechtse gezinnen zoals dat van mevrouw Bakker uit de Rivierenwijk, die onderduikers opnamen.

Het zijn deze verhalen over collaboratie, accommodatie en verzet die ons met de vraag confronteren: wat zou ik, wat zouden wij zelf doen en wat doen wij nu? In een samenleving waar vrijheid heerst. De vrijheid van het accepteren, soms zelfs omhelzen van verschillen. De vrijheid van een open inclusieve samenleving, van rekening houden met en door het vuur gaan voor de ander. Iedereen doet er toe. De vrijheid die we hebben opgebouwd op het fundament van de herinnering aan onze gestorven landgenoten, die we vandaag herdenken.