Burgemeester Dodenherdenking 2018

Toespraak burgemeester Jan van Zanen

Utrecht, Domplein, 4 mei 2018

We lijken er aan gewend. Bijna overal in Europa slagen we er in te leven in vrede en in vrijheid. Vanavond herdenken we dat dat nog niet zo lang geleden heel anders was. Herdenken we de doden die zijn gevallen in een periode van vijf jaar van onvoorstelbaar geweld.

Het opsommen van de doden is als een litanie zonder einde. Zes miljoen joden. Een half miljoen Roma en Sinti. Honderdduizenden gehandicapten en geesteszieken. Duizenden communisten, verzetsstrijders, homoseksuelen, vrijmetselaars, Jehova's getuigen. Burgers. Militairen. De bevolking van landen als Polen en Rusland met een tiende of meer gedecimeerd. In totaal meer dan 55 miljoen doden in ruim vijf jaar. Mensen door andere mensen gedood. Onvoorstelbaar.

De cijfers zijn ons bekend. En toch moeten we ze in ons hoofd en in ons hart blijven herhalen. Zelfs nu er nog maar weinig mensen zijn die deze onvoorstelbare vijf jaar zelf hebben meegemaakt. Moeten we ze blijven herhalen, er onze kinderen over blijven vertellen. Misschien wel voor eeuwig, generatie na generatie.

Wat ons daarbij kan helpen, zijn de verhalen. De verhalen van onze ouders en grootouders. Ooggetuigenverslagen. Dagboeken. Brieven. Herinneringen. Radio-, foto- en filmreportages. Historisch onderzoek. Tentoonstellingen. De verhalen die het mogelijk maken achter die lange litanie te kijken van onvoorstelbare, maar abstracte getallen. Kennis te nemen van de concrete beelden van en over mensen in een onvoorstelbare tijd. Mensen die woonden in de dorpen en steden waar wij nog altijd wonen. Zoals wij in onze stad Utrecht. Niet in vrede en vrijheid, zoals nu, maar in een wereld van dwang, discriminatie, terreur en geweld. In het besef elke dag opgepakt te kunnen worden. Verraden. Gedeporteerd. Gefusilleerd.

Mensen die, met hun naasten, werden gekweld door honger en angst. Mensen van wie de huizen werden verwoest, die moesten onderduiken, die overgingen tot passief of actief verzet. Of zich juist aansloten bij de bezetters. Iedereen kent de beelden van marcherende WA-mannen op de Maliebaan of hier op het Domplein.

Veel van de mensen die nu nog onder ons zijn en deze onvoorstelbare tijd nog hebben meegemaakt, waren toen nog kind. Zelfs in concentratiekampen, waarvan de namen ons nog altijd doen huiveren, woonden kinderen. Duizenden.

Kinderen die meemaakten hoe hun ouders onder hun ogen stierven. Of van de ene dag op de andere verdwenen. Of kinderen die er zonder ouders waren gekomen. Kinderen voor wie het tellen van dode lichamen soms de enige mogelijkheid was om te spelen. Kinderen voor wie er alleen aardappelschillen waren om te eten. Kinderen die opgroeiden in een wereld die juist voor hen onvoorstelbaar moet zijn geweest. Hoewel velen van hen beseften dat de dood daar het enige perspectief was.

Er is een foto bekend van een kleine jongen in het concentratiekamp Bergen Belsen. Een heel gewone jongen van een jaar of zeven, gekleed in een trui, een halflange broek en met sokken en schoenen aan. Een jongen die, tegen de zon in, in zijn eentje een weg af loopt. Met in de berm geen bloemen, maar honderden dode lichamen. Een heel gewone jongen, die door een onvoorstelbare, onbegrijpelijke wereld loopt van dood en verderf. Een wereld die ook veel volwassenen niet voor mogelijk zullen hebben gehouden.

En dat is het grote verschil met nu. Met ons. Weinigen van ons hebben het nog zelf meegemaakt. Maar wij weten wel wat er is gebeurd. Zien hoe dit nog altijd het leven van generaties tekent. Wij weten wel wat er is gebeurd. Anders dan de kinderen en de meeste volwassenen van die tijd, kennen wij de getallen, kennen wij de beelden en verhalen. En weten we daarom ook waarom we die getallen en die verhalen in ons hoofd en in ons hart moeten blijven herhalen. Weten we waarom we de doden die zijn gevallen in deze onvoorstelbare jaren, en ook in de driekwart eeuw daarna, moeten blijven herdenken. Onze kinderen over hen moeten blijven vertellen. Misschien wel voor eeuwig, generatie na generatie.

Uw mening