Burgemeester Opening Raad op Zaterdag over Omgevingswet

Toespraak burgemeester (en voorzitter VNG) Jan van Zanen

Utrecht, Muntgebouw, 16 september 2017

Dames en heren,

Goed om u hier, op zaterdagmorgen te zien. Het geeft maar weer eens aan hoe betrokken u bent. Dat is ook niet zo gek. Je gaat immers de politiek in, zeker de lokale, omdat je iets wilt. Vaak is dat iets heel concreets, iets dat niet naar wens is en dus moet veranderen. Even vaak is dat iets groots, zoals een kindvriendelijke of groene of veilige gemeente. Het is haast altijd het antwoord op de vraag: 'In wat voor een gemeente wil ik wonen?'. Je hebt een droom, je denkt/hoopt die droom via 'de' politiek waar te kunnen maken.

Vandaag gaat het over de instrumenten en werkwijzen, nieuwe én bestaande, die we daar voor kunnen benutten. Die instrumenten en werkwijzen zijn permanent aan veranderingen onderhevig. Daar hebben we soms moeite mee. Op dit moment wordt de samenleving steeds meer een netwerk terwijl politiek en bestuur, als we niet opletten, blijven opereren in verticale, hiërarchische verhoudingen.

Raadsleden bevinden zich in een spagaat tussen deze twee werelden: zij kunnen ervoor kiezen de kloof óf de brug te vormen naar de samenleving.

Hun drie rollen (de kaderstellende, de controlerende en de volksvertegenwoordigende) waren altijd complementair - aanvullend makkelijker gezegd - maar komen steeds meer met elkaar in botsing. Dat gaat schuren. De gemeentelijke praktijk wordt steeds complexer (hoe moet je overzicht houden over de gestelde kaders?), er is minder beschikbare tijd voor het raadswerk (hoe moet je controleren wat het college van B en W doet?), en inwoners willen volksvertegenwoordigers die weer tussen en onder de mensen komen en aansluiting zoeken bij de netwerksamenleving (hoe geef je invulling aan jouw verbindende rol?)

De nieuwe Omgevingswet is een goed voorbeeld. De bedoeling van die wet is dat participatie niet beperkt blijft tot een formeel moment met het indienen van een zienswijze. Inwoners en andere belanghebbenden (denk daarbij aan het maatschappelijk middenveld, bedrijven, initiatiefnemers en buurgemeenten) moeten juist vanaf het begin betrokken worden en hun inbreng kunnen doen.

Hoe elke gemeente dat organiseert, is aan die gemeente zelf. Het participatiebeleid wordt door de gemeenteraad vastgesteld. Het is daarom van belang om nu alvast na te denken over de speelruimte en de spelregels die gelden voor dat gesprek. Wie wordt bij dat gesprek betrokken? In welke fase van de ontwikkeling? Wat gebeurt er met de uitkomsten?

De gemeenteraad moet nadenken over de eigen rol: vindt de raad het belangrijk om vanaf de start inhoudelijk te sturen (sterke kaderstellende rolopvatting) of is het gesprek belangrijker dan de uitkomst (sterke volksvertegenwoordigende opvatting)? Neemt de gemeenteraad zelf het initiatief om het gesprek te voeren of wordt achteraf getoetst of het college van B en W elke inbreng voldoende heeft meegenomen (sterke controlerende rolopvatting)?

Er is een scala aan initiatieven en programma’s ontstaan om die  volksvertegenwoordigende rol te versterken en te vernieuwen. Ik noem: Lokale Democratie in Beweging, Democratic Challenge, Code Oranje, G1000 en nog veel meer lokale initiatieven. Aan de andere kant waarschuwen critici en wetenschappers voor het spanningsveld tussen representatieve en participatieve democratie.

Duidelijk is in elk geval dat er niet één one-size fits-all antwoord is. Wat alle experimenten gemeen hebben, is dat ze uitgaan van een nieuwe balans tussen de systeem- en de leefwereld. Ze gaan over vertrouwen gekoppeld aan het verschuiven van 'macht'. Waarbij het er natuurlijk om gaat wie loslaat en wie oppakt.

Ondertussen: hoe interessant en vernieuwend wetgeving ook kan zijn, veel blijft dezelfde basis houden. Laten we zeggen dat driekwart van de wetgeving hetzelfde blijft. En ook driekwart van de initiatieven die worden ontwikkeld onder de nieuwe wetgeving, zal hetzelfde resultaat opleveren als onder de wetgeving van nu. Ook nu maken gemeenten visies en plannen voor gebiedsontwikkeling, de wet verandert niet veel aan wat wel of niet mogelijk is.

Wat wél verandert, is de weg naar de oplossing van een maatschappelijke opgave. Die wordt, als het goed is, transparanter en makkelijker te volgen. Van inwoners wordt wat betreft de fysieke leefomgeving een sterke betrokkenheid en meer eigen initiatief verwacht. Niet alleen bij het ontwikkelen van een visie op de omgeving, maar ook bij het oppakken van initiatieven en het zoeken van draagvlak daarvoor bij betrokkenen. Dat past bij de algemene maatschappelijke trend van een terugtredende overheid en grotere zelfredzaamheid van inwoners. Van de gemeenteraad wordt verwacht dat hij welwillend staat tegenover initiatieven en daarvoor ruimte geeft.

Omdat het zowel gaat om de ontwikkeling, de inrichting als de bescherming en het behoud van de leefomgeving, heeft de raad tegelijk de opdracht, alle bestaande  belangen te zien, beschermen en afwegen. Dus de gemeenteraad heeft aan de ene kant de verantwoordelijkheid om ruimte te bieden aan initiatieven. Aan de andere kant óók om op te komen voor de belangen van betrokkenen en mogelijke tegenstanders.

In essentie blijft de rolverdeling tussen de gemeenteraad en het college van B en W na de invoering van de Omgevingswet onveranderd. De gemeenteraad stelt de kaders vast, evenals het strategisch beleid van de gemeente en toetst en controleert of het college van B en W het beleid volgens afspraak en naar tevredenheid heeft uitgevoerd. Wel krijgt het college meer bevoegdheden bij de uitvoering van het beleid en is de gemeenteraad nadrukkelijker belast met de hoofdlijnen en het toezicht op het beleidsproces.

Met het bestaande raadsinstrumentarium (het indienen van amendementen, moties, schriftelijke/mondelinge vragen, interpellatie, recht van onderzoek en initiatief en de actieve informatieplicht van het college van B en W) houdt de gemeenteraad ook gedurende het proces nog steeds de vinger aan de pols en stuurt in de gewenste ontwikkelrichting.

De Omgevingswet gaat om de ontwikkeling, inrichting, bescherming en het behoud van de leefomgeving. Niet alles kan binnen de beperkte ruimte die wij in Nederland hebben. Soms kan economische ontwikkeling ten koste gaan van leefbaarheid, natuur ten koste van bereikbaarheid en omgekeerd. Dit vraagt om politieke keuzes en die zullen voor elke gemeenteraad en raadsfractie anders liggen. Mede afhankelijk van de maatschappelijke opgaven waaraan een gemeente werkt. Er zijn gemeenten die kampen met bevolkingskrimp, terwijl andere gemeenten een tekort hebben aan huisvesting.

De wet gaat uit van het principe 'decentraal wat kàn, centraal wat móét'. Dat geeft gemeenten meer afwegingsruimte om lokaal maatwerk te leveren. Waarbij de raad dus de vraag moet beantwoorden: 'wat is belangrijk binnen mijn gemeente?' en 'wat voor een gemeente willen wij zijn?'

De gemeenteraad kan per gebied vaststellen welke kwaliteit er is, welke kwaliteit wenselijk is en welke stappen kunnen worden gezet om die te realiseren. Dit laatste wordt ook wel 'uitnodigingsplanologie' genoemd. Mogelijke oplossingen en de ruimte voor ontwikkelingen krijgen dan een plek in de Omgevingsvisie.

Wat de meeste gemeenten nu al doen, is het inventariseren van de geldende structuurvisies, beleidsnoties en verordeningen, die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Zijn er hiaten, overlappingen of tegenstrijdigheden? Bij welke projecten of beleidsvorming is nadrukkelijk het gesprek opgezocht met de inwoners en andere betrokkenen en hoe is dat verlopen? Met welke andere gemeenten wordt  samengewerkt en welke aanknopingspunten zijn er voor samenwerking in het kader van de Omgevingsvisie?

Veel gemeenten experimenteren, om alvast wat te oefenen, met specifieke projecten. Binnen elke gemeente is er een basis om op voort te bouwen. Mijn advies is: ga het wiel niet opnieuw uitvinden, bouw op de basis die er is. Uit onderzoek (Raadslid.nu, eind 2016) blijkt dat bij drie kwart van de gemeenteraden het onderwerp in de raad al eens voorbijgekomen. Ruim drie kwart van de raadsleden weet geheel of gedeeltelijk wat de wet gaat betekenen voor de inwoners en voor de rol van de raad. Bijna de helft van de raadsleden ziet de wet als een verantwoordelijkheid van het college, ruim een kwart als een verantwoordelijkheid van de gemeenteraad.

In de Memorie van Toelichting op de Omgevingswet komt het woord vertrouwen meer dan vijftig keer voor en is er een hele paragraaf aan gewijd. Het gaat om de keuze om meer verantwoordelijkheid bij de samenleving te leggen. Waarbij heel belangrijk is: wie vertrouwen verwacht, moet ook vertrouwen geven. Dat betekent dat de één zich in de ander (en in zijn belangen) moet verdiepen en de ander ook wat moet gunnen. Dat geldt voor de relatie gemeente - samenleving (c.q. bedrijfsleven), maar ook voor die tussen de overheidslagen en ketenpartners.

Omdat de Omgevingsvisie over de fysieke leefomgeving gaat, is afstemming en samenwerking met andere partijen verplicht. Het gaat om inwoners en bedrijven, maar ook om andere overheden (buurgemeenten, provincie, waterschappen,  regionale Rijkswaterstaat) en regionale uitvoeringsdiensten (omgevingsdienst, veiligheidsregio, GGD/GHOR-regio).

Vaak gaat het om het bereiken van gezamenlijke ambities en doelen, die anders niet bereikt kunnen worden.

Door samenwerking ontstaat meerwaarde, maar het betekent ook dat je soms iets inlevert of de ander iets gunt. Het is dus telkens de afweging: wat kan de gemeente zelfstandig beslissen en uitvoeren en wat kan de gemeente beter samen met anderen doen?

Er is voor de Omgevingswet een invoeringsdatum (overigens gaf de minister net voor de zomer aan dat half 2019 niet gaat lukken) en een overgangstermijn (blijft tot 2029). Dat betekent niet dat we nu achterover kunnen leunen. Het is sowieso nooit te vroeg om te beginnen met de voorbereidingen. De belangrijke elementen die de basis vormen van de Omgevingsvisie, liggen ook nu al op het bordje van de gemeenteraad.

De ervaring met andere wetgevingstrajecten (bijvoorbeeld de decentralisatie van de zorg) leert dat op tijd beginnen meer ruimte geeft om in alle rust en wijsheid keuzes te maken. Daarbij kan helpen dat in een pre-verkiezingsjaar veel (aspirant-)raadsleden 'buiten' te vinden. Ze gaan letterlijk de straat op, de wijk in en zien meer dan in welke andere periode dan ook wat er in hun gemeente goed gaat en wat niet. Ze gaan (heel klassiek) in gesprek aan de deuren of met buurtorganisaties, sportverenigingen en bedrijven. Waarbij ze het ook hebben over hun dromen.

Juist dat is waardevol voor het concreet maken van een omgevingsvisie. Voor het antwoord op de vraag: in wat voor gemeente wil ik wonen? 'Best practices' kunnen anderen weer inspireren om te kiezen voor een nieuwe of andere aanpak. De VNG verzamelt deze en zet ze in de etalage.

Zeker, ondanks alle informatie en achtergronden (wat houdt de wet in?) blijft het lastig concreet te maken welke rol je als raadslid precies hebt (wat kan ik met de wet?). In de Raad op Zaterdag gaat het niet om de techniek (hoewel de informatiestand er is om vragen te beantwoorden.) Het gaat er niet om welke hoofdlijnen er zijn, hoeveel wetten er wel of niet opgaan in de Omgevingswet en wie welke bevoegdheden krijgt. Het gaat om de vraag: hoe gaat de wet nu echt in de praktijk werken? Verandert er iets in jouw rol én wat merkt de samenleving er van?

In de workshops krijgen raadsleden concrete handreikingen, praktijkvoorbeelden uit gemeenten en van collega-raadsleden. Verder is er een film, een filosofisch café en niet één maar twee omgevingswandelingen (door ons prachtige Utrecht) waarin u ervaart wat de Omgevingswet mogelijk maakt en wat dit van een raadslid vraagt.

Tot slot nog enkele praktische mededelingen. U gaat nu beginnen met de sessies van de eerste ronde. Als het goed is, heeft u bij binnenkomst een sessie gekozen en hiervoor een gekleurde kaart meegenomen. Op deze kaart staat 'ronde nummer 1' en de zaal waar u moet zijn.

Zo heeft u voor iedere ronde een andere kaart. Mocht u voor een ronde geen kaart hebben, dan kunt u die halen bij de registratiebalie. Verder wil ik u verzoeken, uw vragen en tips op de kaartjes te zetten Die heeft u bij binnenkomst ontvangen. Tijdens de pauze en de lunch kunt u ze bij de organisatie inleveren. Aan het einde van de dag komt uw tip misschien wel voorbij. Ik wens u een inspirerende leerzame dag.